Hechting bij mensen met een licht verstandelijke beperking: diagnostiek

Door voldoende sensitiviteit en responsiviteit in de ouder-kind relatie groeit vanaf de babyfase een hechtingsrelatie die belangrijk is voor de ontwikkeling van het kind. Zowel de ouder als het kind hebben een rol in dit proces. In de eerste levensjaren wordt de basis gelegd voor een veilige of onveilige hechting.  In de literatuur worden verschillende hechtingstijlen onderscheiden, die met name beschrijven welk gedrag in deze levensfase verwijst naar veilige – , onveilige -, ambivalente – of gedesorganiseerde hechting.

Achtergrond

Kinderen en ook ouders met een in aanleg licht verstandelijke beperking hebben minder vaardigheden voor hun rol in het hechtingsproces. Naast kind- en ouderkenmerken, spelen ook omgevings- en gezinsfactoren, ervaringen en belangrijke gebeurtenissen een rol bij het hechtingsproces. Dit complexe geheel van elkaar beïnvloedende factoren kan in het minder gunstige geval leiden tot een problematische hechting of een hechtingsstoornis.

Jeugdigen die hulp krijgen bij specialistische zorginstellingen (OBC’s en jeugd-GGZ) laten vaak gedrag zien dat lijkt te wijzen op een problematische hechting of een hechtingsstoornis. Binnen de jeugd-GGZ blijkt dat ongeveer 18% van de patiënten met een licht verstandelijke beperking een hechtingsgerelateerde stoornis heeft volgens de DSM-V en dat 42% voldoet aan een deel van de criteria.

Het probleem is dat op een andere wijze dan in de eerste levensjaren mogelijk is, vastgesteld moet worden of hier sprake van is. Er is literatuur beschikbaar over de aard en uitingsvormen van gedrag en tevens over het diagnostisch proces dat nodig is voordat een uitspraak gedaan kan worden, ook al is het kind al ouder. In de literatuur en in het werkveld is echter geen eenduidig gebruik van begrippen en impact / implicaties van een classificatie problematische hechting of een hechtingsstoornis voor kinderen en jeugdigen met een licht verstandelijke beperking.

Doel

De werkgroep wil inventarissen welke diagnostisch middelen en observatietechnieken beschikbaar en uitvoerbaar zijn voor de klinische praktijk voor kinderen en jeugdigen met een licht verstandelijke beperking. Vervolgens is het de bedoeling om een handreiking op te stellen voor een diagnostisch proces voor deze specifieke doelgroep.

Eindresultaat

  • Eenduidige definitie voor begrippen m.b.t. problematische hechting en een hechtingsstoornis.
  • Een handreiking voor diagnostiek, leidend tot betekenisvolle uitspraken over de aard van de hechting en behoeften van de jeugdige en ouders.